woensdag 11 maart 2009

Puur theoretisch - natuurlijk

Stel nu eens, puur theoretisch natuurlijk, dat je informatie zo zou kunnen ordenen dat informatie veel onafhankelijker zou worden van de specifieke situatie die om informatie vraagt.

De manier waarop we nu met informatie omspringen is eigenlijk zo heel situationeel. Er is die bepaalde problematische situatie waarvoor een oplossing moet worden gevonden. En één van de veelal dominante aspecten daarbij is tegenwoordig ICT. Dat wordt (dus) al snel een heus project met opdrachtgever, budget, uitvoerder enzovoort. Het resultaat? Een door en door situationele oplossing.

En situationele oplossingen gaan vandaag de dag niet lang meer mee. Onder ‘druk’ van hedendaagse dynamiek, informatiemaatschappij – zeg ook maar, veranderen situaties nu eenmaal snel. En daarmee vervliegt tegelijk ook de bruikbaarheid van de doorgaans zo moeizaam verkregen situationele oplossing. Opdrachtgevers zien dat met lede ogen aan en begrijpen daar helemaal niets van. Zij krijgen ‘er’ maar geen grip op. Heel irritant!

En daarom: Stel nu eens, nog steeds theoretisch, dat je informatie zo zou kunnen ordenen dat informatie veel onafhankelijker zou worden van de specifieke situatie die om informatie vraagt. Wat voor gevolgen zou dat hebben voor de (gebruikers van) applicaties die op een dergelijke vaste informatie-ondergrond zijn gebouwd?

Die nieuw geordende informatie is uitermate geschikt voor hergebruik en heet ook wel infrastructurele informatie. De structuur waarin die informatie zich op haar plaats weet, noemen we dan ook informatie-infrastructuur. Het gaat om duurzame informatie die is gestructureerd tot gebruik in een veelheid aan onvoorziene situaties.

Informatie in die informatie-infrastructuur komt enkelvoudig voor. Dat scheelt alvast legio duplicaten. Dat werkt enorm positief uit op de kwaliteit van informatie. De direct ‘bovenop’ die infrastructurele informatie gebouwde applicaties zijn eveneens infrastructureel van aard. Dergelijke applicaties vormen de basis voor een uniforme omgangswijze met infrastructurele informatie. Zo’n informatiestelsel elimineert natuurlijk ook informatie-inconsistentie die we inmiddels kunnen missen als kiespijn.

Met zo’n stelsel in place daalt de time-to-market van ICT-projecten fors: het infrastructurele deel van de tot nu toe volledig situationeel opgevatte projecten hoeft immers nog slechts eenmalig te worden gebouwd. En elk volgend project bouwt voortvarend verder op nieuw aangelegde en duurzame informatie-infrastructuur.

Stel nu eens, gewoon heel praktisch, dat je informatie zo zou kunnen ordenen dat informatie veel onafhankelijker zou worden van de specifieke situatie die om informatie vraagt. Kan dat? Ja, dat kan!
Maar alleen als je dat zelf wilt. Zolang je er genoegen mee neemt… Zolang je blijft volhouden dat ‘het’ zonder informatie-infrastructurele opvatting ook nog wel gaat… Zolang kan het (voor jou) niet – en is het ondenkbaar.


Copyright (c) 2009 Emovere/Jan van Til - All rights reserved

dinsdag 3 maart 2009

Rethinking Information

Laten we het idee “informatie” eens opnieuw uitdenken. Hoe ziet informatie er dan uit? Wat doet informatie met ons? En hoe gaan wij met informatie om?

Veel van onze zakelijke en maatschappelijke contacten zijn niet denkbaar zonder brede inzet van digitale technologie. In de afgelopen decennia drong digitale technologie door tot in de verste uithoeken van heel ons dagelijks bestaan. Zowel bedrijf als maatschappij veranderden daardoor in kwalitatieve zin tot heuse informatiemaatschappij. We leerden leven met nieuwe dynamiek en met sterk vergrote beweeglijkheid en veranderlijkheid die deze nieuwe orde met zich meebracht.

Vraag is nu of die kwalitatieve veranderingen die leidden tot informatiemaatschappij, zich ook vertaalden in een andere denk- en werkwijze van opdrachtgevers en ontwerpers van (geautomatiseerde) systemen voor informatievoorziening. Hoe veranderde hun kijk op de positie die informatie inmiddels inneemt in bedrijf en maatschappij? Hoe ordenen zij tegenwoordig informatie om soepel en snel tegemoet te komen aan de zo dynamische en veranderlijke informatiebehoeften van moderne mensen die volop participeren in informatiemaatschappij?

De antwoorden op voorgaande vragen stellen (nog) teleur. De hele organisatie van, zeg, initiatie tot en met totstandkoming van (geautomatiseerde) systemen voor informatievoorziening wordt, ondanks toenemende roep om integratie, nog altijd sterk gedomineerd door een achterhaald en isolationistisch adagium: “voor elk probleem een apart systeem”. Dat adagium, dat, nota bene, stamt uit de beginperiode van digitale technologie, werkt inmiddels nodeloos blokkerend voor verdere ontwikkeling van informatiemaatschappij. Waarom? Omdat het zo verlammend uitwerkt op ontwikkeling van infrastructuur voor modern informatieverkeer.
Ook de eenzijdige aandacht – is het wellicht fascinatie? – voor technologie blijft onverminderd aanhouden. Over elkaar heen buitelende technologische ontwikkelingen weten keer op keer de aandacht – van zowel opdrachtgevers als ICT-ers – af te leiden van het eigenlijke doel van digitale technologie. Doel? Ja, het nut, de toegevoegde waarde van digitale hulpmiddelen voor moderne mensen die volop participeren in informatiemaatschappij!

In informatiemaatschappij staat interoperabiliteit tussen burgers, bedrijven en overheden centaal. Punt. Moderne mensen wensen zich in alle mogelijke verbanden helder en duidelijk met elkaar te kunnen verstaan. Anytime en anywhere. Ook – nee, juist – als zij elkaar niet persoonlijk kennen en elkaar wellicht nooit zullen ontmoeten. Zonder betekenisvolle communicatie, zonder interoperabiliteit-van-mens-tot-mens, kunnen mensen over en weer onvoldoende voor elkaar betekenen. En dan stagneert verdere ontwikkeling van (informatie)maatschappij.
In dat kader wordt digitale technologie door menselijke gebruikers in toenemende mate bestempeld als een regelrechte dissatisfier. Vergelijk het met nutsvoorzieningen: ook die worden alleen – en ook direct in ergerlijke zin – ‘zichtbaar’ als ze… níet werken. Digitale technologie is niets meer – en niets minder (dat ook!) dan een nutsvoorziening ten behoeve van soepele en snelle ondersteuning van menselijke interoperabiliteit in een zich verder ontwikkelende informatiemaatschappij.

En het is juist op het vlak van de menselijke interoperabiliteit dat informatie opnieuw dient te worden uitgedacht.

Voordat digitale technologie haar intrede deed, was interoperabiliteit vergaand synoniem met menselijke interoperabiliteit. Met de opkomst van de zo dominante digitale technologie, verschoof de oorspronkelijke begripsinhoud van interoperabiliteit heel onopgemerkt van menselijk naar digitaal.
Dat deze verschuiving tegelijk ook een forse verarming zou gaan betekenen, besefte toen nog niemand. En vandaag? Vandaag is het nog steeds zo dat vrijwel niemand inziet dat er een belangwekkend kwalitatief verschil bestaat tussen digitale (lees ook: technische) interoperabiliteit en menselijke interoperabiliteit.

Door haar dominantie voorzag digitale technologie informatie als het ware van een tweede gezicht. Het oude en vertrouwde menselijke gezicht – informatie als individueel menselijke toekenning van betekenis – kreeg er een overheersend en overschaduwend tweede gezicht bij. Een digitaal gezicht: informatie als vooraf vast te stellen universele betekenis.

Uit de sociale psychologie weten we al geruime tijd dat het gedrag van mensen niet zozeer wordt gestuurd door informatie zonder meer, maar door de betekenis die individuele mensen persoonlijk aan die informatie toekennen. De betekenis die mensen aan informatie toekennen ligt daarbij niet a priori vast, maar is volstrekt afhankelijk van hun individuele motieven op een bepaald moment in combinatie met de precieze situatie waarin zij die informatie waarnemen.

En hier ligt de basis voor het opnieuw uitdenken van het idee informatie. Menselijke interoperabiliteit operationaliseert de uit de sociale psychologie afkomstige kennis. Niet alleen de informatie-waar-het-om-gaat is van belang, maar daaraan dient, afhankelijk van de specifieke situatie, ook steeds de juiste contextuele informatie te worden toegevoegd. Waarom? Om mensen in staat te stellen de bedoelde betekenis toe te kennen!
Nee, informatie staat nooit op zichzelf. Er is altijd extra informatie – lees ook: contextuele informatie – nodig om tot toekenning van bedoelde betekenis te kunnen komen. Informatie ontvangt haar betekenis altijd van een mens. Een mens die betekenis gemotiveerd en situationeel toekent. Altijd.

Wie vanuit digitaal gezichtspunt naar informatie kijkt en erover denkt, organiseert en structureert informatie primair vanuit vooraf vastgestelde betekenis – statisch dus. Volgens menselijk gezichtspunt vloeit betekenis dynamisch voort uit de situationeel relevante contextuele structuur van de informatie.
Precies andersom dus!
Om die twee gezichtspunten naadloos op elkaar aan te kunnen sluiten, is het van groot belang scherp oog te krijgen voor werkelijk robuuste organisatie en structuur van informatie. Alleen informatie die voldoende fijnmazig gedifferentieerd raakt over onderling gerelateerde informatieknooppunten – ja, klopt, dat is contextuele informatiestructuur – kan in concrete situaties moeiteloos geïntegreerd raken tot bedoelde betekenis.

Ja, dat is wel even wennen: informatie is niet langer iets dat er is, maar wordt van situatie tot situatie en keer op keer uit relevante informatieknooppunten, uit informatiestructuur, nauwkeurig ‘geproduceerd’ tot bedoelde en actuele betekenis voor de persoon die er om vraagt. Just In Time (JIT).
Een zorgvuldig gekozen informatiestructuur heet ook wel informatie-infrastructuur en werkt als enkelvoudige informatievoorziening voor een scala aan (rechts)personen in legio situaties.

Wie informatie op deze manier opnieuw uitdenkt, ziet dat informatie in informatie-infrastructuur nog slechts enkelvoudig voorkomt en universeel toepasbaar is. Dat is precies de kracht van een infrastructurele voorziening! En met de huidige stand van technologie, grenzeloze inter(net)connectiviteit, is het kopiëren van informatie-tot-een-eigen-kopie ook volstrekt overbodig geworden.
Moderne mensen die zich in alle mogelijke verbanden helder en duidelijk met elkaar wensen te verstaan, vertrouwen op informatie-infrastructuur – precies zoals ze op verkeersinfrastructuur vertrouwen – en hechten geen waarde meer aan eigen, geïsoleerde en achterlopende informatiekopieën.

Door informatie op een robuuste en duurzame manier te contextualiseren, dat wil zeggen te ordenen tot informatie-infrastructuur, kan op een Just In Time manier precies de juiste betekenis voor precies de goede persoon op precies het goede moment actueel worden geproduceerd. Moeiteloos.

Kent u een andere manier om soepel, snel en betrouwbaar tegemoet te komen aan de zo dynamische en veranderlijke informatiebehoeften van moderne mensen die volop participeren in informatiemaatschappij?

Informatie wordt nog steeds gezien als het ‘goed’ bij uitstek waarmee belangrijk concurrentievoordeel te behalen valt. Maar wie informatie opnieuw uitdenkt, realiseert zich opeens dat concurrentievoordeel eerst en vooral gezocht moet worden in de contextualisering ervan! Een eyeopener? Wie nog wat verder dóórdenkt, vindt nog meer voordelen.

Trouwens, wist u dat zowel modelleermethode (metapattern) als ook operationeel platform (knitbits) voor ontwikkeling en implementatie van informatie-infrastructuur al geruime tijd voor handen zijn en geduldig op uw toepassing wachten?


Copyright (c) 2009 Emovere/Jan van Til - All rights reserved

zaterdag 21 februari 2009

Ruim baan voor d0ss1ers!

Nee, dat is geen tikfout. In informatiemaatschappij bestaat nu eenmaal belangrijk onderscheid tussen dossiers en d0ss1ers. En dat dringt ons ertoe dat we dat onderscheid ook daadwerkelijk gaan inzien èn gaan maken!

Digitale dossiers kunnen zich in enorme belangstelling verheugen. Zodra er iets mis gaat of beter moet… komt er weer een nieuw – apart, eigenstandig – dossier bij. Denk maar aan dossiers als elektronisch patiëntendossier (EPD) of elektronisch kind dossier (EKD). Gesteggel over wie wel/geen toegang tot welk dossier moet hebben barst al snel los. Geharrewar over conflicterende informatie in verschillende dossiers leidt tot verwarring en… ongelukken. Dergelijke dossiers leiden als vanzelf tot smakeloze informatie-puree waarin we als moderne samenleving dreigen te verzanden.

Het verlammende van het woord ‘dossier’ is dat we er allemaal een beeld bij hebben. Een beeld dat stamt uit het pre-digitale tijdperk en dito erfenis met zich meezeult. Een dossier is ‘daar’ zoiets als een fysieke map, opgeslagen in een fysieke kast, met daarin een aantal fysieke documenten die vanwege het één of andere gezamenlijke belang van één of meer personen bij elkaar zijn gebracht.

En hoewel iedereen weet dat ‘dat’ in digitaal tijdperk ‘allemaal’ héél anders gaat… blijven we dat heel-anders-gaan – onbewust – frustreren met onze ingesleten beelden uit het pre-digitale tijdperk. En dat is bijzonder vervelend omdat dergelijk denken remmende – ja, zelfs verlammende – uitwerking heeft op verdere ontwikkeling van moderne informatiemaatschappij. Hoe modern de toegepaste technologie ook is; digitale dossiers zijn ho-pe-loos ouderwets. Ze vormen een smet op het nieuwe blazoen van onze informatiemaatschappij.

In uw en mijn informatiemaatschappij is een digitaal d0ss1er (kortweg d0ss1er) niets anders dan een digitale ‘strik’ om één of meer digitale verwijzingen naar digitale informatie-elementen. En zo’n strik wordt door een individuele belanghebbende gelegd voor zover zijn/haar belangstelling reikt en voor zolang zijn/haar belangstelling standhoudt (leest u dat rustig nog een keer).
Tussendoor: dankzij ruime verwijsmogelijkheden in combinatie met Internet kunnen we vandaag de dag volstaan met enkelvoudige (!) vastlegging van informatie-elementen. Informatie-elementen die we via persoonlijke verwijzingen gemakkelijk ‘bereiken’. Over ontdubbelen gesproken; dat ruimt alvast enorm op! U wilt informatie-inconsistentie een halt toeroepen? Grijp uw kans!

Op die manier legt – in moderne informatiemaatschappij – ieder individu voor zichzelf, individueel, d0ss1ers aan. Moeiteloos. Er zijn informatie-elementen die u deelt met andere belanghebbenden; andere houdt u voor uzelf. En zo kunnen twee individuen – bijvoorbeeld een bepaalde patiënt en een bepaalde zorgverlener – vanuit een bepaald gedeeld belang over eigen verwijzingen naar gemeenschappelijke informatie-elementen beschikken. Wie daaromheen een digitale strik legt, heeft er weer een d0ss1er bij. Mogelijk is dat een (deel van een) patiëntend0ss1er. Of een kindd0ss1er. Dat hangt o.m. af van het gedeelde belang (voor zolang dat standhoudt).

Inderdaad, een d0ss1er is een kwalitatief ander ‘ding’ dan een dossier!

In een moderne informatiemaatschappij kunnen individuen met enorme snelheid enorme hoeveelheden strikjes om enorme hoeveelheden verwijzingen naar enorme hoeveelheden informatie-elementen vanuit enorm variërende en sterk wisselende belangen (ver)leggen. Individuen doen dat onveranderlijk situationeel en vanuit bepaalde, wisselende motieven: dus heel dynamisch.
Dat is de digitale d0ss1er-realiteit waarmee u en ik te maken hebben. Te moeilijk? Welnee. Het is wel ingewikkelder geworden – dat klopt. Bedenk echter: eenvoudiger is het domweg niet meer. Of staat u er op uzelf voor de gek te houden?

Het is voortaan de kunst elk individu zijn/haar eigen individuele strikjes om verwijzingen te laten (ver)leggen naar bedoelde informatie-elementen, en wel vanuit de individuele situatie en in lijn met de eigen motieven.
Digitale technologie helpt met de administratie van al die strikjes, verwijzingen en informatie-elementen. Moeiteloos! Als digitale technologie èrgens goed in is….

In het pre-digitale tijdperk zouden we eenvoudigweg niet op het idee komen een dossier als een d0ss1er op te vatten. We zouden voor gek worden versleten. Inmiddels voorzag de niet te stuiten opmars van digitale technologie ons van kwalitatief andere mogelijkheden. D0ss1ers bijvoorbeeld – die liggen ‘opeens’ binnen handbereik!

U wilt nu een nieuw dossier aanleggen? Prima! U doet het toch wel als d0ss1er?! Wie vandaag de dag een dossier nog als dossier wil aanleggen, moet voor gek versleten worden. Zoiets doe je niet?! Wie de kwalitatief ruimere mogelijkheden van d0ss1ers ziet, kan zich niet voorstellen dat, bijvoorbeeld, EPD en EKD als aparte, eigenstandige dossiers worden opgezet. Je komt niet eens op het idee!

Gek genoeg gebeurt dat wel. Wàt een verspilling! Wàt een oponthoud! Wàt een drama!

Nu u het onderscheid tussen dossier en d0ss1er zíet, kunt u het verschil ook daadwerkelijk gaan máken. En dàt levert doorbraak tot verdere ontwikkeling van moderne informatiemaatschappij. Ruim baan voor d0ss1ers!

Noot: Hoe zit het met toegang tot informatie-elementen? Het kan natuurlijk niet zo zijn dat individuen in elkaars werk (informatie-elementen) knoeien: de patiënt wijzigt de aantekeningen van de zorgverlener of omgekeerd. Ook kan het niet zo zijn dat een patiënt alle informatie die een zorgverlener over hem/haar noteert, kan inzien of omgekeerd. Enzovoort. Als wezenlijk uitgangspunt voor ordelijk verlopend maatschappelijk informatieverkeer geldt: “persoonsinformatie is persoonlijk eigendom”. Het is de eigenaar die in principe bepaalt wie er wanneer van welk informatie-element om welke reden en op welke manier gebruik mag maken.


Copyright (c) 2009 Emovere/Jan van Til - All rights reserved

vrijdag 13 februari 2009

Doe de paradigmasprong

Ons communicatief handelen kent inmiddels wereldwijd bereik. Met grootst gemak communiceren we anytime en anywhere met anyone over anything. De ‘boosdoener’? Internet. Vrijwel elk computersysteem fungeert tegenwoordig als knooppunt in dat wereldomspannende netwerk. Communicatie, lees ook: informatieverkeer, was nog nooit zó laagdrempelig voor zóveel mensen in zó’n grote informatieruimte.

Gevolg van deze ontwikkeling is een explosieve stijging van het aantal situaties waarin we ‘zo maar’ verzeild raken en waarover we ‘dus’ willen communiceren. Parallel hieraan nemen snelheid en beweeglijkheid in wereld, maatschappij en bedrijfsleven stevig toe. En dat stuwt de situatiedynamiek nog verder op.
Wanneer u dat even op u in laat werken, ziet u dat er geen beginnen meer aan is om situaties te vóórzien, laat staan er (gedrags)regels voor op te stellen waaromheen ICT-hulpmiddelen duurzaam kunnen functioneren. Hopeloos! Wie dat, tegen beter weten in, toch doet… tja, wat moet ik er nog aan toevoegen? Woorden schieten tekort: ho - pe - loos.

Hoe dan wel? Uitstekende vraag! Wie het failliet van de huidige denk- en werkwijze erkent en daar niet schouderophalend aan voorbijgaat, komt substantieel verder.

De nu (nog) heersende denkwijze annex praktijk werd uiterst succesvol in de tijd dat situaties stabiel waren en elkaar traag afwisselden. Men waardeerde ‘de situatie’ zoals een vis het water waardeert: daar sta je geen seconde bij stil; die is er altijd en overal – doodgewoon. Het lag ‘dus’ voor de hand er vaste (gedrags)regels voor te hanteren. En dergelijke ‘vastigheid’ past uitstekend in de werkomgeving van de informaticus. Want vaste (gedrags)regels leveren dito informatiepatronen op, die op hun beurt ideale ondergrond vormen waarop ICT hulpmiddelen bij uitstek excelleren.
Op deze voedingsbodem ontstond een zeer succesvolle en daardoor ook stevig verankerde praktijk. Een praktijk waarin informatici informatie leerden waarderen als een lòs verkrijgbaar artikel. Lòs wil zeggen dat (betekenis van) informatie los staat van de – impliciet gebleven – situatie en ‘dus’ ook onafhankelijk ervan kan worden vastgesteld.

Alleen… die overtuiging, die denkwijze… die deugt niet en heeft ook nooit gedeugd. Het is die denkwijze die ons vandaag de dag in steeds groter problemen brengt. De oorzaak? Toegenomen bereik van communicatief handelen. Toegenomen dynamiek. Snelle situatiewisselingen in toegenomen informatieruimte. En voor deze problemen bestaat – binnen de huidige denkwijze – geen afdoende antwoord.

Zicht op antwoord ontstaat wanneer u het failliet van de huidige denkwijze (schoorvoetend) erkent. Informatie, in de zin van betekenis, is nu eenmaal níet los van de situatie verkrijgbaar, maar is er onlosmakelijk mee verbonden. Altijd.

De huidige praktijk brengt de relevant geachte situatie(s) voor een bepaald probleem(gebied) in kaart en komt op basis daarvan tot ontwerp en bouw van een informatiesysteem. De in kaart gebrachte situaties zijn beperkt in aantal en ‘leven’ feitelijk als starre stolsels binnen het systeem. Het bijbehorende informatiepatroon is net zo star, want nauwkeurig afgestemd op het beperkte aantal situaties. En dat is reuze gevaarlijk bij hedendaagse situatiedynamiek.

Dergelijke systemen geven eigenlijk al direct vanaf eerste ingebruikname ongemakken vanwege situaties die (net) niet zijn vóórzien. Ongemakken die al snel zo ongemakkelijk worden dat wanneer de betrokken informatici ‘dat’ eerder – dat wil zeggen vóóraf – hadden geweten… zij tot een (geheel) ander ontwerp zouden zijn gekomen.
En precies dat… het kunnen vóórzien van situaties, precies dat… lukt vandaag de dag niet meer. De oorzaak? Ach, het is het ‘oude’ liedje: Toegenomen bereik van communicatief handelen. Toegenomen dynamiek. Snelle situatiewisselingen in toegenomen informatieruimte.

De oproep luidt dan ook: erken het failliet van een eens zo succesvolle denkwijze. Erken dat informatie níet los verkrijgbaar is, maar altijd onlosmakelijk is verbonden met de situatie, dat wil zeggen met andere – contextuele – informatie.
Die erkenning staat gelijk aan een heuse paradigmasprong en leidt bij u tot geheel nieuwe en krachtige denkwijze over en benadering van informatie!

Het informatiepatroon als constante voldoet niet meer. Wat we nodig hebben is een variabel informatiepatroon: informatiepatroon annex betekenis is een functie van situatie. Betekenis van informatie komt heel dynamisch voort uit de situatie waarin die informatie verschijnt.

Zo was het altijd al, maar we zagen het niet. Dat gaf lange tijd geen al te grote problemen, maar met hedendaagse dynamiek loopt het spaak. Daar gaan we niet (langer) schouderophalend aan voorbij. Toch? Nee, we doen er goed aan oude en vertrouwde denkwijze los te laten, de paradigmasprong te doen en de volgende ontwikkelingsstap in gang te zetten om informatie-puree te voorkomen.

Ziet u het? Er zijn vele informatiekundigen nodig om deze denkwijze krachtig stem en draagvlak en vorm te geven. Wat houdt u (nog) tegen? Doe de paradigmasprong!


Copyright (c) 2009 Emovere/Jan van Til - All rights reserved

dinsdag 3 februari 2009

Context Oriëntatie

Kunt u wat over uzelf vertellen? Een bekende vraag. Het antwoord erop, of het nu lang is of kort, is eigenlijk altijd weer merkwaardig. Want wat vertelt u? U vertelt bijvoorbeeld over uw werk, partner, (schoon)ouders, huis, (klein)kinderen, hobby’s, opleiding, (neven)functie(s).

U vertelt dus niet zozeer over uzelf, maar over de relaties die u met uw omgeving onderhoudt. Over de manier waarop u uzelf in uw omgeving ziet ‘ingeweven’. Omgekeerd is het natuurlijk uw omgeving die zo haar eigen relaties met u onderhoudt. Het is uw omgeving die op haar beurt bepaalt hoe ze haar verwevenheid met u ziet. En die twee gezichtspunten vallen vrijwel nooit samen: er zijn voortdurend variërende overeenkomsten en verschillen.

Twee personen, zeg A en B, verhouden zich eigenlijk nooit op dezelfde manier tot elkaar. Tussen A en B bestaan altijd… twee relaties: A verhoudt zich op een bepaalde manier tot B; B verhoudt zich op een andere manier tot A. En die twee relaties zijn, door de tijd heen, voortdurend aan allerhande veranderingen onderhevig. U kunt, bijvoorbeeld, nog steeds met veel inzet en liefde uw werk doen, terwijl uw werkgever sinds vorige week eigenlijk liever van u af wil.

Zo is er dus dat ‘weefwerk’ aan relaties waarin u, als subject, uw positie ‘inkleedt’. Uw doen en laten vormt mede dat weefwerk. En omgekeerd raakt uzelf gevormd door het doen en laten van dat weefwerk. In sterke onderlinge afhankelijkheid ontwikkelen zich voortdurend onderlinge relaties – via tal van interacties en heel dynamisch. En dat geldt niet alleen voor u als subject; dat geldt voor alle objecten. Op die manier komt elk object in levend weefwerk tot aanzijn, tot positie, tot leven.

Wie u bent en wat u betekent als subject ligt dus (grotendeels)… buiten uzelf – in het weefwerk – en is voortdurend in beweging. Dat hoort misschien wat onwennig, maar ik vertrouw er op dat u beseft dat ‘het’ ergens toch zo in elkaar steekt. Denkt u zich maar eens in dat enkele van uw belangrijkste relaties plotsklaps wegvallen… wie u bent en wat u betekent… heel uw ‘being there’ zou er grondig door veranderen!

In de afgelopen jaren zijn veel informatici vertrouwd geraakt met Object Oriëntatie; kortweg OO. Binnen het OO-denkraam telt het object als kernconcept. Elk object is een afgerond geheel en vertoont zelfstandig en autonoom gedrag; gedrag dat als vaste eigenschap van het object zelf wordt beschouwd.

Context Oriëntatie, kortweg CO, is een radicaal ruimere denkwijze – een denkwijze die, ten opzichte van OO, veel beter spoort met uw en mijn ervaring van de ons omringende werkelijkheid.

Met het oog op ondersteuning van onbegrensde informatievariëteit, keert CO het OO-object binnenstebuiten en schudt het als het ware leeg in het weefwerk – in de context zeg ook maar. Binnen het CO-denkraam telt niet object, maar context als kernconcept. CO stelt dat elk object met, in, tot en door het dynamische weefwerk aan relaties (context) tot aanzijn, tot gedrag komt. En specifiek objectgedrag komt voort uit de momentane toestand van dat weefwerk (waarin dat object op dat moment tot aanzijn, tot gedrag komt).

Eigenlijk is OO alleen maar geschikt voor statische en geïsoleerde omgevingen waarin elke mogelijke situatie waarin een object kan verschijnen gemakkelijk kan worden vóórzien. De door OO ondersteunde informatievariëteit is daarmee erg beperkt. Voor elke nieuwe situatie moet het object immers weer worden ‘opengebroken’ om het die nieuwe situatie te leren onderscheiden van al bekende situaties.

In de reële dynamiek van vandaag is het overduidelijk dat nieuwe situaties aan de lopende band ontstaan. Volgens het OO-denkraam liggen objecten dan voortdurend voor onderhoud op de werkbank – zonder dat iemand er wat aan heeft.
Maar volgens het CO-denkraam is het de momentane toestand van het dynamisch weefwerk aan relaties dat specifiek objectgedrag voortbrengt. En de gelegenheidsconstructie van het bijbehorende object vindt steeds precies op maat plaats (volgens het JIT-principe). Kijk, dat levert onbegrensde informatievariëteit.

Nu is het niet zo dat die twee benaderingen, OO en CO, elkaar domweg uitsluiten. De OO-benadering, in zwang bij informatici, past prima binnen de ruimere CO-benadering die informatiekundigen voorstaan. Voor informatici telt de objectenwereld als vertrekpunt. Voor informatiekundigen telt het weefwerk aan relaties, de context, als vertrekpunt. Vanuit dat weefwerk ontstaan, Just In Time, objecten als gelegenheidsobjecten. En het zijn deze objecten die de, nieuwe, handelingsbasis voor informatici vormen.

Het goede nieuws is dus dat CO ook werkt in de statische omgevingen waartoe OO zich, door haar beperkte paradigma, noodgedwongen heeft te beperken. Het andere nieuws is dat CO, als wezenlijk ruimer paradigma, door informatici nog altijd vergaand onbegrepen is en mede daardoor sterk ondergewaardeerd wordt. Als te ingewikkeld en te theoretisch wordt afgeserveerd.

En toch… Voor wie het zíet… Voor wie de paradigmawissel máákt, betekent CO een ‘wereldstap’. Een stap naar semantische interoperabiliteit met behulp van maatwerkobjecten; Just In Time geproduceerd. Een stap waar onze hedendaagse informatiemaatschappij met smart op zit te wachten.

Promotie van CO is meer dan ooit nodig! Informatiekundigen gezocht die zich dáár voor willen inzetten!


Copyright (c) 2009 Emovere/Jan van Til - All rights reserved